Geschiedenis van de werf “welgelegen” te Harlingen

Geschiedenis van de werf “welgelegen” te Harlingen

Niets is zo onberekenbaar als de zee, kan ik uit ervaring stellen en onze voorouders hadden hier ook mee van doen. Mijn overgrootvader Harm Kok Houwink, geboren in de Pekela’s, emigreerde naar Harlingen omdat de Pekel A verzandde en er voor zeegaande schepen in Groninger land weinig meer te doen viel. Al eerder is het waarschijnlijk de Alta’s niet anders vergaan. De scheepsbouwers konden niet meer terecht in Dokkum, waar zij waarschijnlijk van afkomstig waren. In 1645 werd de admiraliteit van Dokkum naar Harlingen verplaatst, omdat de Dokkumer Ee verzandde en grotere scheepvaart verder onmogelijk was. De scheepsbouwers Alta verplaatsten zich naar Makkum, waar onze stamvader Marten Ottes omstreeks dez tijd opduikt. Intussen werd Harlingen de belangrijkste haven van Friesland. In 1816 nemen de gebrs.Alta de werf van admiraliteit over, die verder door het leven gaat als de Werf Welgelegen, thans beter bekend onder de wat vreemdsoortige naam Frisian Shipyards Welgelegen. Maar hierover berichtte ik al in een eerder Alta Bulletin. Ons gaat het nu om de historie van de werf Welgelegen, die wat de Alta’s betreft met de overname van de werf begint in 1816. Het was na de glorieuse 18e eeuw en de kentering gedurende de Franse overheersing, een tijd van achteruitgang, zoals blijkt uit het gedichtje van Veritas (A.van Steenderen) in Harlingen in Rijm:

Harlingen! weleer beroemd,
Frieslands tweede stad genoemd;
Roem en grootheid zijn bezweken.
Handel, scheepvaart, die gij hadt,
Welvaart gaven aan deez’ stad,
Zijn ook grootelijks geweken.

In het boek over Harlingen vind ik de volgende passage over de scheepsbouw:

Een tak van nijverheid die direct verband hield met de havenfunctie van Harlingen was de scheepsbouw. De scheepsbouw droeg nog grotendeels een ambachtelijk karakter. Naast de al eerder genoemde werf van de Admiraliteit van Friesland (na 1816 dus Welgelegen) waren er in Harlingen particuliere scheepstimmerwerven en toeleverende bedrijven, zoals touwslagerijen, zeilmakerijen, blok-, masten- en pompmakerijen, gevestigd. Deze bedrijven bevonden zich voornamelijk aan de Zuider- en de Noorderhaven en in de naaste omgeving daarvan. Ook andere bedrijven profiteerden van de scheepvaart door middel van de uitrusting en proviandering van de schepen.

Maar even later in hetzelfde boek lees ik dat: In de loop van de 19e eeuw stelde men zich in Harlingen meer en meer in op de activiteiten rond de haven en werd de haven uitgebreid en een spoorlijn daar naartoe aangelegd. Hadden de 5 Harlinger werven in 1819 slechts 9 werknemers in dienst in 1858 waren dit er 46. Er werden in Harlingen voornamelijk schepen voor de kleine vaart, dat wil zeggen de vaart op de Europese havens onder Nederlandse vlag, en voor de binnenvaart gebouwd. Evenwel na 1865 liep de scheepvaart terug, door het ontbreken van een achterland en daardoor kwam ook de scheepsbouw in de knel. De Harlinger werven verzuimden om met hun tijd mee te gaan.

Dit hing voornamelijk samen met de overgang van zeil- op stoomvaart. Terwijl het gebruik van stalen schepen steeds meer gemeengoed werd, bleven de werven in Harlingen trouw aan houten schepen. Hierdoor en door de teruglopende havenactiviteiten, raakten de werven in de versukkeling en moesten deze zich grotendeels beperken tot reparatiewerkzaamheden. In 1889 werkten er nog 26 mensen op de scheepswerven en 20 jaar later nog maar 14.

Het scheepsbouwen, van oudsher het vak der Alta’s, beperkte zich vanaf 1819 tot STAM 1 van onze stamboom, beginnend met:

JOHANNES DIRKS (5 1 0010) die samen met zijn halfbroer PIER DIRKS (5 3 0010) in 1816 de werf kocht, maar Pier trok zich terug en begon in 1824 een houthandel in Makkum.

vervolgens:

DIRK (6 1 0010) die de werf Welgelegen dreef en zich (vlg.het diakenbord in het Hannemahuis) bediende van een wapen met een half afgebouwd schip. Samen met zijn broer LIEUWE (6 2 0020) moet hij verantwoordelijk zijn geweest voor de bouw van het algemeen bewonderde schip “ALBERTINA AMELIA”, dat naar zijn vrouw werd vernoemd. Lieuwe overlijdt in 1879 en Dirk in 1880.

De zoons van Dirk, JOHANNES (7 1 0010) en CORNELIS (7 1 0020) zijn al in 1855 naar Amsterdam vertrokken, hetgeen wijst op een twijfelachtige toekomst van de werf want zij zochten hun heil elders.

De zoons van Lieuwe bleken al evenmin erg bij de werf betrokken, hoewel JOHANNES (7 1 0030) weliswaar in 1860 naar Amsterdam vertrok, maar in 1861 weer te Harlingen terugkeerde. Hij liep verder te boek als “koopman”, maar kan toch wel bij de werf betrokken zijn geweest. De andere zoon DIRK JOHANNES (8 1 0020) geniet alleen bekendheid van een zekere betrokkenheid bij de aanleg van de nieuwe Harlinger haven, waarvoor hij een gouden horloge ontving. Maar ook hij verdwijnt, op een onbekend tijdstip, in de richting van Amsterdam.

De enige waar van we zeker weten dat hij betrokken was bij de werf is de zoon van JOHANNES (7 1 0030); ANNE ADAMUS (waarover elders in dit Alta Bulletin uitgebreid wordt bericht). Onder zijn leiding wordt de werf Welgelegen in Harlingen in 1910 verkocht en neemt de betrokkenheid van de Alta’s een einde.

Uit vorenstaande kunnen wij mogelijk concluderen dat nadat de leiding van DIRK en LIEUWE van de 6e generatie, mogelijk onder leiding van de zich “koopman” noemende JOHANNES van de 7e generatie, de werf al een noodlijdend bestaan leidde.

ontleend o.a. aan Harlingen (bijdragen tot de geschiedenis van de laatste twee eeuwen red.J.J.Huizinga, L.G.Jansma en C.H.A.Verhaar)

DAT WORDT WENNEN IN HARLINGEN bron: Johan van der Wal (tekst niet geheel compleet)
Welgelegen moet weg, Worden aan de Harlinger Zuiderhaven sinds mensen binnen een jaar voor eens en altijd een eind. Want werf Industriehaven. De huidige bedrijfsvoering van de werf is in strijd met de wettelijke normen. Dat geldt vooral voor de geluids zonering. ‘Welgelegen’ ligt ingeklemd tussen de wijk Havenkwartier en verpleeghuis ‘Dukdalf.
Tegenover het bedrijf begint het historisch stadscentrum van Harlingen. Bovendien staat het bedrijf de voortgang in de weg van het ‘Ontwikkelingsplan Harlingen Waddenstad’, waarmee deFriese havenstad zich beter wil profileren ten opzichte van het ook hier nog steeds toenemende toerisme. Kortom: Welgelegen’ moet weg. Dat wordt wel even wennen voor de Harlingers. In 1660 vestigde de eerste werf zich op de plek waar ‘Welgelegen’ nu ligt. Maar er werden al veel eerder schepen gebouwd langs de Zuiderhaven. Toen de Friese Admiraliteit in 1644 van Dokkum naar Harlingen kwam, was er al een werfje gevestigd op een steenworp afstand van de huidige lokatie. Dat bedrijfje werd pas in 1933 opgeruimd. Archeologisch onderzoek moet straks meer over dit vroege Harlinger werfje duidelijk maken.
In 1660 werd op de huidige plek van ‘Welgelegen’ het terrein ingericht voor een werf. Het is niet precies bekend wanneer die in gebruik is genomen. In het begin was er alleen ruimte voor het bouwen van kleinere schepen. In 1662 nam de Admiraliteit de werf als ‘Landswerf in gebruik om er oorlogsschepen te kunnen (laten) bouwen. Friesland moest negen schepen bijdragen aan de oorlogsvloot van de Republiek, want de Tweede Engelse oorlog stond voor de deur. In 1665 werd bevolen, dat er nog eens tien schepen bij moesten komen.
Het was vooral in Harlingen, dat de nieuwe schepen gebouwd werden. De Sneker notaris en geschiedschrijver S. Haagsma beschreef in 1895 in ‘De Vrije Fries’ de bedrijvigheid die erin die jaren in Harlingen moet hebben geheerst. De vele handen i en vertier, zoowel in de havens en op de wallen, als in de winkels der ambachtslieden, die de handen vol werk hadden’. Maar ook een goede honderd jaar later, in 1780, toen de tijden weer wat vreedzamer waren, had de werf het blijkbaar zo druk dat er uitgebreid moest worden. Al in 1784 vond een tweede uitbreiding plaats. Vanaf dat moment was er ruimte om wat grotere schepen te bouwen. Jammer genoeg brandde in 1771 het gebouw van de Admiraliteit af. Daarbij gingen alle archieven verloren, zodat veel werfactiviteiten voor altijd het nageslacht onthouden zullen blijven. Gedurende de Franse tijd (1795-1813) verdween de Admiraliteit uit Harlingen. Maar niet nadat de ‘Landswerf nog platboomde vaartuigen voor de Fransen had gebouwd. Die waren bestemd voor de vloot waarmee Napoleon Engeland wilde veroveren. Met het vertrek van de Admiraliteit kwam er na de Franse tijd echter definitief een eind aan bouw en reparatie van oorlogsschepen.
In partikuliere handen
Het Ministerie van Marine besloot in 1816 de oude ‘Landswerf van de hand te doen. Het bedrijf werd verkocht aan de broers Johannes en Pier Alta, afkomstig uit een Makkumer scheepstimmerman geslacht. De werf kwam daarmee sinds 1662 voor het eerst in handen van particulieren. De gebroeders Alta hadden besloten hun vleugels uit te slaan naar Harlingen, en noemden hun bedrijf ‘Welgelegen’. De door de Alta’s gebouwde schepen hadden een wat vreedzamer bestemming dan
de produkten van de ‘Landswerf. Zo werd in 1828 de ‘Harlingen’ te water gelaten, de walvisvaarder Zuiderhaven rond de eeuwwisseling die onder kapitein Klaas Hoekstra van Texeljammerlijk op haar eerste reis in het ijs bij Groenland vastraakte en verging. Het laatste zeilschip dat bij ‘Welgelegen’ werd gebouwd was de ‘Twee Gebroeders’, een opgetuigde brik die in 1894 op weg van Harlingen naar Christiansund op de Deense kust te pletter sloeg.
De laatstejaren van de 19e eeuw kenmerkten zich ook in Harlingen door economische malaise. Timmerwerf ‘Welgelegen’ had bovendien de pech, dat er geen vraag meer was naar houten (zeil)schepen. De werven in het Westen waren sterk concurrerend met de bouw van ijzeren stoomschepen.
De aanleg van het Noordzeekanaal maakte de positie van Harlingen als havenstad er niet florissanter
Pas na de Eerste Wereldoorlog kwam er weer muziek in ‘Welgelegen’. De werf maakte vooral furore als scheepsreparatie en onderhoudsbedrijf.
Sleepboten, coasters, baggermolens, vissersschepen: bij ‘Welgelegen’ werd het allemaal onderhouden en gerepareerd. Daarnaast was de werf de basis van mobiele werkploegen die er op uittrokken om schade aan elders liggende schepen te verhelpen.
Na oorlogen krijgen reparatiebedrijven het vanzelfsprekend altijd druk. Gold dat na de Eerste Wereldoorlog voor ‘Welgelegen’, net zo ging het na de Tweede. Men kreeg opnieuw menig door oorlogsgeweld beschadigd schip onder handen. In andere handen
Intussen was de werf allang in de handen van erfgenamen van de gebroeders Alta overgegaan. De laatste daarvan, Anne Adamus, verkocht de werf met toebehoren in 1910 aan de gemeente Harlingen. Die ging het bedrijf niet zelf exploiteren, maar verhuurde het aan de firma Van Duivendijk en Van Drimmelen. Na de Tweede Wereldoorlog verkocht de gemeente de werf in 1954 op haar beurt aan de Scheepvaart en Steenkolenmaatschappij: de SSM, een Rotterdams bedrijf dat al jaren een vestiging in de Friese havenstad had, en dat met een aantal in die jaren zeer bekende schepen een lijndienst vanuit Harlingen op de Britse havens Huil, Goole en Londen onderhield.
De SSM ging in de periode 1961-1964 over tot een grondige modernisering van het bedrijf. Zo werd in de jaren dertig de dwarshelling vernieuwd en van 75 m uitgebreid tot 110 m. Er kwamen betonnen hellingbanen, waarop zware hellingwagens liepen met een hefvermogen tot 175 ton. De nieuwe wagens waren in staat automatisch te lossen, wat een aanzienlijke tijdsbesparing opleverde. Het leidde tot een verdubbeling van de capaciteit van de werf. Verder kwam er een 36 m hoge verrijdbare kraan met een hefvermogen van 15 ton. Ook werd ‘Welgelegen’ in de SSM periode uitgebreid met een grote machinehal voorzien van eigentijdse apparatuur.
In 1970 kocht men een droogdok aan, dat een plaatsje kreeg in de Nieuwe Willemshaven, op steenworp afstand van het moederbedrijf aan de Zuiderhaven.
De Van der Schoots In 1969 stootte de SSM het bedrijf af naar de Amsterdamse Droogdokmaatschappij (ADM).
Toen die in 1977 ter ziele ging, werd ‘Welgelegen’ overgenomen door kollega werf ‘Harlingen’, die geëxploiteerd werd (en wordt) door de familie Van der Schoot, een bekend Harlinger zakengeslacht. De Van der Schoots begonnen in de 19e eeuw ooit met een borstelfabriek in Harlingen, en werden later eigenaar van diverse grote winkelbedrijven en industrieën. In dejaren zestig was men gestart met werf ‘Harlingen’ aan het Industrieterrein aan de oostelijke rand van de stad. Ook
exploiteerde men in samenwerking met de familie De Jong van ‘Frisia Suikerwerken’ een rederij, waarbij de huidige ‘Welgelegen’ directeur, Cees van der Schoot, als coasterkapitein voer. Toen men in 1977 de kans kreeg ‘Welgelegen’ over te nemen kwam de bouw van grotere schepen in Harlingen geheel in handen van de familie Van der Schoot.
Met de overname van ‘Welgelegen’ werd de werkgelegenheid van de meer dan 200 personeelsleden veilig gesteld.
De Van der Schoots liquideerden de nieuwbouwen reparatiewerf ‘Welgelegen’, en samen met ‘Harlingen’ werd verder gegaan onder de naam ‘Scheepsbouw Welgelegen’. Intussen nam de vraag naar grotere schepen steeds toe. Dat leidde tot samenwerking met menig ander bedrijf in en rond Harlingen. De grote schepen bouwde op verschillende werven in secties, die dan in Harlingen werden geassembleerd.

Harlingen met op de voorgrond de werf Welgelegen aan de Zuiderhaven den  samengevoegd. Die werkwijze leidde in 1983 tot de oprichting van de ‘Scheepswerf Harlingen Holding’, waarin behalve de werven ‘Harlingen’ en ‘Welgelegen’ ook de volgende bedrijven opgingen: ‘Heerde Staalbouw’ uit Wieringen, schilders- en klassificeerbedrijf ‘Welsec’, machinefabriek ‘Landustrie’ uit Sneek en ‘Harlingen Frisian’. In ‘Harlingen Holding’ werken op dit moment een 450 personeelsleden. In de laatste helft van de jaren tachtig kwam in de Harlinger Industriehaven de gigantische hal van ‘Frisian Shipyard’ tot stand, waarin een aantal Friese werven de elders geproduceerde segmenten tot komplete schepen samenvoegt. In de hal van ‘Frisian Shipyard’ is ook Tille Shipyards’ werkzaam, een bedrijf dat haar bakermat heeft in Kootstertille langs het Prinses Margrietkanaal. In Kootstertille zelf is Tille Scheepsbouw’ gevestigd, een werf die voornamelijk binnenschepen bouwt, maar die voor haar opdrachten sterk afhankelijk is van ‘Tille Shipyards’ in Harlingen.
Toen de afgelopen zomer bekend werd dat ‘Welgelegen’ en ‘Tille Shipyards’ zouden fuseren, ontstond bij ‘Tille Scheepsbouw’ in Kootstertille grote ongerustheid omdat gevreesd werd voor behoud van de werkgelegenheid. Toen onderhandelingen voor gelijke arbeidsvoorwaarden stukliepen, blies ‘Welgelegen’-direkteur Cees van der Schoot de fusie af. Op het moment dat dit artikel geschreven wordt, begin oktober ’92, komen de onderhandelingen tussen werven en bonden weer langzaam op gang. Duidelijk is, dat beide partijen de fusie graag willen.
Verhuizing
Inmiddels werd duidelijk dat de moedervestiging van ‘Welgelegen’ niet aan de Zuiderhaven kan blijven. In feite belet het bedrijf de ontplooiing van het ‘Ontwikkelingsplan Harlingen Waddenstad’, een veelomvattend plan dat Harlingen binnen een periode van ongeveer 10jaar moet herscheppen in een goed geoutilleerde toeristenstad, met de industrie daar waar ze hoort: langs de industrieterreinen en -havens. In het kader van het Ontwikkelingsplan moet de wijk ‘Havenkwartier’ een facelift ondergaan, waarbij de werf een zeer detonerende factor zal zijn. En ‘buurvrouw’ verpleeghuis ‘Dukdalf wil aan de Zuiderhaven uitbreiden, en vindt ook ‘Welgelegen’ op haar weg. Niet dat het bedrijf de bewoners van ‘Dukdalf in de weg staat, integendeel. Menige patiënt vindt het wel
prettig, zo’n levendig bedrijf middenin de stad. Men heeft het gevoel bij de activiteiten betrokken te zijn. Dat geldt trouwens ook voor de overige Harlingers, die als het ware met ‘Welgelegen’ zijn opgegroeid. Sinds men op de werf geen pneumatische klinkhamers meer gebruikt maar de scheepsplaten aan elkaar last, is de geluidsoverlast sterk verminderd. Niettemin moet de werf weg, want ze voldoet lang niet aan de huidige milieu eisen. Even leek het erop dat het Ministerie van VROM de verplaatsing naar de Industriehaven in de weg zou staan: in plaats van de toegezegde ƒ 10 miljoen wilde Alders met niet meer dan ƒ 2,5 miljoen over
de brug komen. Toen was al bekeken of het haalbaar was het bedrijf met schermen van de omgeving te isoleren teneinde de geluidsoverlast weg te In 1990 werd het Visserijmoederschip KW 172, gebouwd op Welgelegen, te water gelaten nemen. Maar verplaatsing bleek uiteindelijk toch de beste en meest efficiënte oplossing. Na bemiddeling van PvdA-kamerlid Henk Vos kwam alsnog de ƒ 10 miljoen bij VROM los, en kan ‘Welgelegen ‘ verplaatst worden. Men hoopt de operatie al eind ’93 gerealiseerd te hebben. Aan de Industriehaven is reeds gestart met de aanleg van een afbouwkade.
De dwarshelling vervalt op de nieuwe lokatie. In plaats daarvan komt er een scheepslift. In totaal komt de verhuizing op zo’n ƒ 50 miljoen. ‘Scheepswerf Harlingen Holding’ betaalt daarvan ƒ 25,5 miljoen, waarvoor men ƒ 7 miljoen kan lenen bij de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij en ƒ 4 miljoen bij de provincie. De rest wordt opgebracht door VROM, gemeente Harlingen (ƒ 3,75 miljoen) en provincie Friesland (ƒ 6,25 miljoen). Aan de Zuiderhaven moeten volgens het ‘Ontwikkelingsplan’ behalve de uitbreiding van ‘Dukdalf allerlei toeristische voorzieningen komen. Wat aan, en vooral in de Zuiderhaven zal achterblijven is de
gigantische vervuiling die de werf door de eeuwen heen veroorzaakt heeft. De gemeente Harlingen zal de financiering (ƒ 8 miljoen) van bodemsanering en grondreiniging regelen, deels door de kosten op andere instanties te verhalen. Bodemsanering en grondreiniging moeten volgens plan voor 1998 voltooid zijn.

Geraadpleegde bronnen
S. Brandsma {red.): ‘Harlingen en de toekomst’, voorlichtingskrant van de gemeente Harlingen, 1992.
S. Haagsma: ‘Eenige bladzijden uit Friesland’s zeegeschiedenis’. In: ‘De Vrije Fries’, 1895 en 1896.
F. Drost: ‘Hoe scheepswerf ‘Welgelegen’ groot werd’. In: ‘Harlinger Courant’, 21 augustus 1992.
Kerst Huisman: ‘De roemruchte jaren van de Friese Admiraliteit’. In: Leeuwarder Courant, 5 september 1992.
Provincie Friesland: Statenvoorstel Verplaatsing Scheepswerf Welgelegen, Leeuwarden, 10 september 1992.
• N o o r d e r b r e e d t e 9 2 – 2 2 3