Johannes Alta & Cornelia Schoor

Oom JO

Zeker na het overlijden van Han Alta, werd mijn aandacht gevestigd op zijn vader, mijn oom Jo. In mijn jonge jaren de verpersoonlijking van het buitenleven. Met Tante Cor woonde hij in Bilthoven aan de rand van het bos. Als jongetje uit de stad waren logeerpartijen bij Oom en Tante ware feesten. Tante Cor, die op de vensterbank van het keukenraam de eekhoorntjes voerde en Oom Jo met de bijenkasten achter in de tuin, waren voor mij heel bijzondere gebeurtenissen. Evenals Han, was Oom Jo een echte ‘doe het zelver’ en ik was zeer onder de indruk van het prieel dat hij mede met de hulp van Han had gebouwd. Toen mijn vader in 1942 was overleden, werd Oom Jo mijn toeziende voogd, een taak die hij zeer gewetensvol heeft volbracht en die vooral in mijn bewogen puberteit hem wel eens voor moeilijke situaties heeft geplaatst. Maar toen ik mijn eindexamen HBS behaalde waren Oom Jo en Tante Cor present en mijn moeder kreeg bij die gelegenheid van tante Cor een lidcactus, die de jaren heeft doorstaan en door stekken nog altijd in mijn serre prijkt. In de oorlog was Oom Jo onze steun en toeverlaat. In de bostuin werden dennenbomen omgezaagd en tot blokken gekloofd. Mijn moeder en zusters gingen dan met zakken vol hout richting Amsterdam. Fietstassen vol, een zak over de bagagedrager en nog een over het stuur, zo zwoegden zij Amsterdam-waarts om de kachel brandende te houden. Ik was met mijn 10 jaar nog te klein om aan deze transporten deel te nemen. Toch ben ik wel mee geweest op mijn kinderfietsje en ik herinner mij een keer, toen Oom Jo ons, midden in de nacht, uit bed riep met de mededeling: ‘Het bos staat in brand’. Wij vlogen naar buiten, waar het een zee van licht was. Het bleek dat vliegtuigen lichtkogels aan parachutes hadden afgeworpen teneinde te ontdekken waar de munitie opslagplaatsen in de nabijgelegen bossen van de Lage Vuursche zich bevonden. Toen de lichtkogels doofden, volgde gelukkig geen bombardement want dan was het misschien slecht afgelopen. Wel knalden om ons heen de afweergeschut opstellingen. Op een keer, misschien wel dezelfde gelegenheid kwamen wij in Bilthoven aan en troffen Oom Jo niet thuis. Volgens tante Cor was hij op tocht naar Westbroek om daar bij de boeren te proberen wat voedsel te bemachtigen. Later kwam hij terug met o.a. bruine bonen en eieren. De eieren waren in de fietstas kapot gegaan tussen de bruine bonen. Tante Cor zocht voorzichtig de eierschalen eruit en bereidde een bruine bonen soep die mij nog heugt. Lekkerder soep heb ik nooit weer geproefd. Het was voor ons uit het toen al hongerend Amsterdam een waar koningsmaal. Naderhand, en dit moet toch allemaal nog in 1944 hebben plaats gevonden, want in 1945 waren wij te zwak om de hongertochten nog te ondernemen, herinner ik mij dat Oom Jo een enorm gat in de tuin had gemaakt, waarin het hele prieel verdween, zodat een schuilkelder ontstond.Na de oorlog begon Han met zijn constructiewerk voor de Bremakker op Texel en ik herinner mij de enthousiaste verhalen van Oom Jo en tante Cor. Het contact bleef altijd bestaan en mijn moeder is met de oudste dochters van mijn zuster Margreet en Ellen verschillende keren naar de Bremakker geweest, waar de kinderen deelnamen aan de kinderkampen en mijn moeder voor de kinderen van Han en Suus zorgde, omdat het echtpaar druk in de weer was met de kinderkampen. Dit waren enige herinneringen aan Oom Jo (Johannes 8 2 0060) en tante Cor (Hendrika Cornelia Schoor) de ouders van Han Alta, die ik graag voor het nageslacht wilde bewaren.